wereldeenheid

 

H.P. Blavatsky

Helena Petrovna Blavatsky

 

Mevrouw Helena Petrovna Blavatsky werd in 1831 in een Russische adellijke familie geboren. Vanaf haar prilste jeugd trok zij de aandacht door haar psychische vermogens en doordat zij paranormale verschijnselen teweeg kon brengen. Zij had echter geen interesse in haar vermogens als zodanig, maar in de beginselen van de natuurwetten die daaraan ten grondslag lagen. Naarstig bestudeerde zij de metafysische overleveringen en bereisde zij vele landen, waaronder de meeste landen van het Verre Oosten. Zij drong zelfs door in Tibet, op zoek naar verborgen kennis. In de 19e eeuw was het een zeldzaamheid dat een vrouw alleen dergelijke reizen ondernam. Tenslotte kwam H.P. Blavatsky  in de zeventiger jaren voor de tweede maal in de Verenigde Staten aan, waar zij in 1875 samen met kolonel H.S. Olcott en anderen te New York de Theosofische Vereniging oprichtte.

Het grootste werk van H.P. Blavatsky  is De Geheime Leer. Dit boek verscheen in 1888 in twee dikke delen. Het eerste gaat over de cosmogenesis en is een studie over het ontstaan en de ontwikkeling van het heelal en het tweede gaat over het ontstaan en de ontwikkeling van de mens.

   

de Geheime Leer

geen openbaring maar verzameling fragmenten uit duizenden boekdelen

Aziatische en voor-Christelijke godsdiensten

 

 

  H.P. Blavatsky  verklaarde dat De Geheime Leer niet geschreven was als een openbaring, maar eerder als een verzameling van fragmenten uit de duizenden boekdelen waarin de grote Aziatische en voorchristelijke godsdiensten vastgelegd zijn. Verder wilde zij geen enkel dogma geven en de lezer werd verzocht de gedachten en gegevens te bestuderen vanuit het standpunt van de gewone ervaring en het gezond verstand.

Het boek is gebaseerd op drie grondstellingen:

  1. Een alomtegenwoordig, eeuwig, grenzeloos en onveranderlijk Beginsel, waarover geen bespiegeling mogelijk is, daar dit het menselijk voorstellingsvermogen te boven gaat en het door menselijke bewoordingen of vergelijkingen alleen maar neergehaald kan worden.
  2. De eeuwigheid van het heelal in zijn geheel als een oneindig gebied, dat periodiek "het speelveld is van talloze heelallen, die onophoudelijk ontstaan en weer verdwijnen".
  3. De fundamentele eenheid van alle zielen met de Universele Overziel. Deze laatste is zelf een aspect van de onbekende wortel. Voorts is daar de verplichte pelgrimstocht van iedere ziel - een vonk van de universele overziel - door de kringloop van incarnatie (niet: reïncarnatie, noot van de samenstellers)  in overeenstemming met de cyclische en karmische wetten.
   

stanza's van Dzyan

beschrijving van de kosmische evolutie

  Hoewel geput wordt uit vele bronnen is De Geheime Leer in hoofdzaak gebaseerd op een archaïsch manuscript, dat de titel Het Boek van Dzyan draagt; het is eigenlijk een toelichting en een verklaring van dit manuscript. De stanza's(coupletten) uit Het Boek van Dzyan zijn geschreven in bewoordingen die voor ons niet gemakkelijk te begrijpen zijn, maar zij geven degene die de moeite neemt ze te bestuderen een prachtige beschrijving van de kosmische evolutie, die begint met de eeuwige duisternis die heerst vóór het ontwaken van een heelal. Latere stanza's beschrijven op poëtische wijze hoe het heelal weer tot leven komt, de vormen zich differentiëren, de wereldwording zich voltrekt en hoe de mens op aarde verschijnt. Een ieder die zich er serieus mee bezig houdt krijgt respect voor de schrijfster, haar begaafdheid en haar grote kennis.

Bron: H.P. Blavatsky en haar geschriften, uitgave van de Theosofische Vereniging.

   
   

Een greep uit de eerste zeven Stanza's van Dzyan:

  • De eeuwige moeder had, gehuld in haar immer onzichtbare gewaden, wederom gedurende zeven eeuwigheden gesluimerd. De tijd was niet, want hij lag in slaap in den oneindigen schoot van den duur. Het universele denkvermogen was niet, want er waren geen Ah-hi om het te bevatten.
  • De zeven wegen ter zaligheid waren niet. De groote oorzaken van ellende waren niet, want er was niemand om ze te verwekken en er door verstrikt te worden.
  • Duisternis alleen vulde het grenzeloos al, want vader, moeder en zoon waren wederom één en de zoon was nog niet ontwaakt voor het nieuwe wiel en zijn pelgrimstocht daarop...
  • Waar was de stilte? Waar de ooren om haar waar te nemen? Neen, er was noch stilte, noch geluid; niets behalve onophoudelijke eeuwige adem, die zich zelven niet kent.
  • Het uur had nog niet geslagen; de straal was nog niet in de kiem geflitst; de Matripadma was nog niet gezwollen. Het hart had zich nog niet geopend, opdat de eene straal kon ingaan en van daar vallen, als drie in vier, in den schoot van Maya...
  • De laatste trilling der zevende eeuwigheid doortrilt de oneindigheid. De moeder zwelt, zet uit van binnen naar buiten, gelijk de knop van den lotus.
  • Het zet uit, wanneer de adem des vuurs er op gericht is; het trekt samen, wanneer de adem der moeder het aanraakt. Dan gaan de zonen uiteen en verspreiden zich , om in den schoot hunner moeder weer te keeren aan het einde van den grooten dag en wederom één met haar te worden..
  • Aanschouw den aanvang van voelend vormloos leven. Eerst het Goddelijke, het eene van den Moeder-Geest; vervolgens het Geestelijke; de drie van de een, de vier van de een en de vijf, uit welke de drie, de vijf en de zeven. Deze zijn de drie-voudigen en de vier-voudigen nederwaarts,; de 'verstand-geboren' zonen van den eersten Heer, de stralende zeven.

Bron: De Geheime Leer, deel 1 kosmische evolutie, de zeven stanza's vertaald uit het Boek van Dzyan, blz. 21-29

 

wilt u reageren? stuur ons uw vragen of opmerkingen!