|
|
Mozes |
|
Mozes, leerde deze stammen zich tot een natie, een koninkrijk, te verenigen. Hij ontving de stenen tafelen met de Tien Geboden (de Wet). |
||
|
hij mocht het beloofde land niet binnengaan
|
Het land (Kanaän) strekte zich voor hem uit, de zilveren vlakten, de wuivende palmen en in de verte tegen de hemel de blauwe zee. Lange tijd keek hij er naar. Het was allemaal precies als hij geweten had. Alles was zoals hij het lang geleden had gedroomd: honingraten en tarwe, witte kudden, velden met witte lelies, nestelende duiven, groene vijgen aan de takken. Het was allemaal als in zijn droom. Maar hij mocht dit land niet binnengaan, hij mocht geen voet in het dal zetten. Hij moest voor altijd hier blijven, liggend in een graf in het zand waar niemand hem zou vinden. Eerder was hem geweigerd de glorie te aanschouwen waar zijn hart naar verlangde; nu mocht hij het beloofde land niet binnengaan... Bron: Dawn over Mount Hira, Marzieh Gail, 1976, George Ronald, Oxford. | |
|
Sinaï, Seïr en Paran
|
De zegen van Mozes (Deuteronomium 33:1-2) Dit is de zegen, waarmede Mozes, de man Gods, de Israëlieten vòòr zijn sterven gezegend heeft. Hij zeide: De Here is gekomen van Sinaï en over hen opgegaan uit Seïr; hij is in lichtglans verschenen van het gebergte Paran en gekomen uit het midden van heilige tienduizenden; aan zijn rechterzijde zagen zij een brandend vuur. Mozes voorzegt
hier de volgende drie Boodschappers van God, nl. Seïr
is een naam voor de landstreek waar Jezus Christus vandaan kwam,
Paran is het gebergte waar
Muhammad zijn Openbaringen kreeg, de heilige
tienduizenden staan voor Bahá'u'lláh, terwijl hijzelf de Openbaring
van God op de berg Sinaï
ontvangen had. De Here komt dus in Jezus Christus, in
Mohammed en in Bahá'u'lláh. | |
|
|
Bahá'u'lláh zegt over Mozes "Hij riep alle volkeren en geslachten der aarde op tot het Koninkrijk van eeuwigheid en noodde hen deel te hebben aan de vrucht van de boom van waar geloof. U bent voorzeker op de hoogte van de heftige tegenstand van Farao en zijn volk, en van de stenen van nutteloze verbeelding die de handen der ongelovigen naar die gezegende Boom wierpen. Zozeer, dat Farao en zijn volk tenslotte alles in het werk stelden om met de wateren van bedrog en verloochening het vuur van die heilige Boom te blussen, met voorbijzien van het feit, dat geen aards water de vlam van goddelijke wijsheid kan blussen noch sterfelijke rukwinden de lamp van eeuwige heerschappij kunnen doven." Boek van Zekerheid, Bahá'u'lláh, Stg Bahá'í Literatuur, Den Haag, 1976, blz. 13. "Hij sprak met God. De waarzeggers van Zijn tijd waarschuwden Farao met deze woorden: 'Een ster is opgekomen aan de hemel en zie! Zij voorspelt de ontvangenis van een Kind dat uw lot en het lot van uw volk in Zijn hand houdt.'" Boek van Zekerheid, Bahá'u'lláh, Stg Bahá'í Literatuur, Den Haag, 1976, blz. 40. |
|