|
|
|
beproevingen |
|
Bahá'u'lláh spreekt over Zichzelf |
Roep u Mijn verdriet, Mijn zorgen en kommer, Mijn leed en beproevingen, de toestand van Mijn gevangenschap, de tranen die Ik heb gestort, de bitterheid van Mijn smart, en thans Mijn gevangenschap in dit verre land, voor de geest ... Bij de rechtvaardigheid Gods! Iedere ochtend, wanneer Ik opstond van Mijn bed, ontdekte Ik de talloze beproevingen die zich in dichte drommen achter Mijn deur bevonden, en iedere nacht, als Ik Mij had neergelegd, zie! dan werd Mijn hart verscheurd van folterende pijn om wat het had geleden van de demonische wreedheid van zijn vijanden. Ieder stuk brood dat de Aloude Schoonheid breekt gaat samen met de aanval van een nieuwe beproeving, en iedere druppel die Hij drinkt is vermengd met de bitterheid van de meest rampzalige bezoeking. Bij iedere stap die Hij doet, wordt Hij voorafgegaan door een leger van onvoorziene rampspoeden, terwijl een legioen van hartverscheurend leed Hem op de voet volgt. Van dien aard is Mijn benarde toestand, zoudt gij het slechts in uw hart overwegen. Laat uw ziel echter niet bedroefd zijn over hetgeen God deed nederdalen op Ons. Dompel uw wil in Zijn behagen, want Wij hebben nimmer ook maar iets anders gewenst behalve Zijn Wil en elk Zijner onherroepelijke bevelen welkom geheten. Laat uw hart geduldig zijn en wees niet ontmoedigd ... Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh, LXII, blz. 75 |
|
| beproevingen en ontberingen |
Er zijn niet alleen beproevingen en ontberingen in ons leven. Veel belangrijker zijn de genade van God en Zijn barmhartigheid. Rampspoed en onheil zijn er opdat de mens deze sterfelijke wereld zal afwijzen - een wereld waaraan hij zeer gehecht is. Als hij zware beproevingen en ontberingen ondergaat zal hij daarvan terugschrikken en naar zijn eeuwige verblijfplaats verlangen - een plaats die van alle onheil en rampspoed geheiligd is. Selections of the Writings of 'Abdu'l-Bahá, blz. 239. |
|
|
lijden en beproeving een bevrijding van dit wereldse leven |
De geest van de mens gaat vooruit wanneer hij door lijden wordt beproefd. Hoe beter de grond wordt omgeploegd, des te beter zal het zaad ontkiemen en des te beter zal de oogst zijn. Zoals de aarde diep door de ploeg wordt omgewoeld en van onkruid en distels wordt gereinigd, zo bevrijden lijden en beproeving de mens van de bekrompenheid van dit wereldse leven totdat hij een staat van volledige onthechting bereikt heeft ... Men moet lijden om eeuwige gelukzaligheid te bereiken. Paris Talks, 'Abdu'l-Bahá, blz. 178-179 Kommer
en smart komen niet tot ons bij toeval; zij worden door de goddelijke
Genade tot ons gezonden ter onze vervolmaking. | |
|
gedenk Mij in uw beproevingen |
"Weeklaag niet in het uur van uw beproeving en verheug u er evenmin over; zoek de Middenweg, welke is het Mij gedenken in uw bezoekingen en het overdenken van hetgeen u in de toekomst kan overkomen. Aldus leert u de Alwetende, de Welingelichte." Bahá'u'lláh, Kitáb-i-Aqdas, Het Heiligste Boek, #43, blz. 45 |
|
|
niet boven iemands kracht |
Hij heeft ieder mens begiftigd met het vermogen de tekenen Gods te erkennen. ... Hij zal nooit iemand onrechtvaardig behandelen en evenmin zal Hij een mens boven zijn kracht beproeven. Zuivert uw blik, opdat gij Zijn luister met uw eigen ogen moge aanschuwen, en verlaat u niet op de ogen van een ander, behalve uzelf, want God belast geen mens ooit boven zijn kracht. Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh, LII, blz. 67. |
|
|
Gods genade en Zijn barmhartigheid |
Zeg, O mensen! Onttrekt u niet aan de genade van God en Zijn barmhartigheid. Al wie zich daaraan onttrekt, lijdt met recht een zwaar verlies. Wel dan, O mensen! Aanbidt gij het stof en keert gij u af van uw Heer, de Genadige, de Almilddige? Bidt om vergiffenis, o mensen, vanwege het falen in uw plicht jegens God, en te hebben gezondigd tegen Zijn Zaak, en behoort niet tot de dwazen. Hij is het Die u geschapen heeft; Hij is het Die uw ziel heeft gevoed door middel van Zijn Zaak, en u in staat heeft gesteld Hem te erkennen die de Almachtige, de Verhevenste, de Alwetende is. Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh, LII, blz. 66-67. |
|
|
gebed bij beproevingen |
O God, mijn God! Wees niet ver van mij, want beproeving op beproeving stapelt zich op mij. O God, mijn God! Laat mij niet aan mijzelf over, want de zwaarste tegenspoed heeft mij getroffen. Geef mij te drinken van de zuivere melk die uit de boezem van Uw goedertierenheid vloeit, want ik wordt geheel door dorst verteerd. Beschut mij onder de schaduw van de vleugelen van Uw barmhartigheid, want al mijn tegenstanders hebben zich als één man op mij geworpen. Houd mij dicht bij de troon van Uw majesteit, oog in oog met de openbaring van de tekenen van Uw heerlijkheid, want diepe ellende treft mij. Voed mij met de vruchten van de Boom van eeuwigheid, want uiterste zwakte heeft mij overmand. Laaf mij uit de bekers van vreugde, want menigvuldige smarten houden mij in hun machtige greep. Tooi mij met het rijk bestikte gewaad van Uw almachtige soevereiniteit, want ik ben tot de bedelstaf gebracht. Laat mij inslapen onder het rustgevende gekoer van de Duif van Uw eenheid, want de zwaarste rampen hebben mij getroffen. Laat mij voor de troon van Uw eenheid verblijven, want vrees en beven hebben mij verpletterd. Dompel mij in de oceaan van Uw vergeving, in het aangezicht van de rusteloosheid van de leviathan van heerlijkheid, want mijn zonden zijn mijn ondergang. Bahá'u'lláh - Bahá'í Gebeden, nr. 9 |
|
| Verblijdt u! Dit is de Dag! |
Dit is de Dag waarin de Oceaan van Gods genade aan de mensen is geopenbaard, de Dag waarin de Dagster van Zijn goedertierenheid haar glans over hen uitspreidt, de Dag waarin de wolken van Zijn overvloedige genade de gehele mensheid overschaduwen. Het is nu de tijd om de teneergeslagenen te verblijden en te verkwikken met de bezielende bries van liefde en kameraadschap en met de levende wateren van vriendschap en menslievendheid. Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh, V, blz.9. |
|