|
|
|
HERKOMST
VAN DE THEORIE VAN DE CALORIEËN
In 1930
poneerden twee Amerikaanse artsen, Newburgh en Johnston van de Universiteit
van Michigan, in een van hun publicaties, de gedachte dat "vetzucht
meer het resultaat was van een te calorierijke voeding, dan van een onvolwaardige
stofwisseling" .
Hun studie naar het energetisch evenwicht omvatte in feite maar een zeer
beperkt aantal observaties, en had m.n. ook veel te kort geduurd om een
serieuze wetenschappelijke ondergrond te vormen.
Desondanks
werd deze studie direct bij de publicatie al ontvangen als een wetenschappelijke,
onweerlegbare waarheid en sindsdien is hij beschouwd als een "evangelie".
Waarschijnlijk
zelf onthutst door alle stampij rond hun ontdekking, spraken de twee onderzoekers
een paar jaar later voorzichtig hun ernstige bedenkingen uit aangaande
de conclusies die ze hadden getrokken, maar hieraan werd volstrekt geen
aandacht meer geschonken. Hun theorie was al opgenomen in de programma's
van de medische opleidingen van de meeste westerse landen en, ook vandaag
nog, neemt zij daar een stevige positie in.
DE THEORIE VAN DE CALORIEËN
In de dieetleer
is een calorie de hoeveelheid energie die nodig is om de temperatuur van
een gram water te laten stijgen van 14 naar 15 graden.
Het menselijk lichaam heeft energie nodig. Op de eerste plaats om een
lichaamstemperatuur van 37° C. te handhaven; dat is als het ware de
eerste behoefte. Maar zodra het lichaam in beweging komt, al is het maar
om in verticale toestand te blijven, te bewegen, klanken voort te brengen
enz. komt er een extra behoefte aan energie bij.
Nog meer energie is nodig om te eten, te verteren en voor andere handelingen
die noodzakelijk zijn om in leven te blijven.
De dagelijkse behoefte aan energie verschilt per individu, per leeftijd
en per geslacht.
De theorie van de calorieën luidt nu als volgt:
Als de energie-behoefte
van een mens 2500 calorieën bedraagt en hij er maar 2000 inneemt,
ontstaat er een tekort van 500 calorieën. Om dit tekort aan te vullen
haalt het lichaam een gelijkwaardige hoeveelheid energie uit de reservevetten,
wat dientengevolge zal leiden tot gewichtsverlies.
Omgekeerd, als een mens per dag 3500 calorieën opneemt, terwijl zijn
behoefte maar op 2500 ligt, creëert hij een overschot van 1000 calorieën,
die automatisch opgeslagen worden in de vorm van reservevetten.
De theorie gaat dus uit van het axioma dat er op de een of andere manier
geen verlies van energie is. Dit is een mechanistisch model gestoeld op
de theorie van Lavoisier over de wetten van de thermodynamica.
Als dit waar zou zijn, kan men zich afvragen hoe de gevangenen in de concentratiekampen
bijna vijf jaar hebben kunnen overleven met maar 7 à 800 calorieën
per dag. Als de theorie van de calorieën juist zou zijn, zouden ze
hebben moeten sterven zodra hun vetreserves waren uitgeput, d.w.z. al
na enkele maanden.
Zo kan men zich ook afvragen waarom grote eters die 4 à 5000 calorieën
per dag eten, niet dikker zijn (er zijn er die zelfs altijd mager blijven).
Volgens de theorie van de calorieën zouden die grote eters na enkele
jaren 400 tot 500 kilo moeten wegen.
Hoe is het anderzijds te verklaren dat bepaalde mensen dik blijven worden,
hoewel ze minder eten juist om hun dagelijkse hoeveelheid calorieën
te verminderen? Er zijn zeker duizenden mensen die op deze manier sterven
van de honger en toch steeds dikker worden.
DE VERKLARING
De eerste vraag is dus, waarom er geen gewichtsverlies optreedt, als de
toevoer van calorieën verminderd wordt.
In werkelijkheid
vindt dat gewichtsverlies wel plaats, maar dat is maar voor even. En dat
is dan ook de reden waarom de doktoren Newburgh en Johnston zich vergist
hebben, want hun observaties besloegen een veel te korte periode.
Er gebeurt het volgende:
Gesteld dat de mens 2500 calorieën per dag nodig heeft en dat gedurende
een langere periode de calorietoevoer volgens deze behoefte heeft plaats
gevonden. Als de hoeveelheid calorieën plotseling terug valt naar
2000, wordt inderdaad een evenwaardige hoeveelheid reservevetten gebruikt
en kunnen we gewichtsverlies constateren.
Als daarentegen de calorieëntoevoer voortaan op 2000 calorieën
blijft staan tegen 2500 daarvoor, zal het lichaam, daartoe aangespoord
door zijn overlevingsinstinct, heel snel zijn energiebehoefte regelen
naargelang de toevoer. Omdat het maar 2000 calorieën krijgt, maakt
het maar 2000 calorieën op.
Het gewichtsverlies wordt dus snel onderbroken. Maar daar blijft het niet
bij. Het overlevingsinstinct van het lichaam spoort het aan tot een grotere
voorzichtigheid, zodanig dat het reserves gaat kweken. Als het voortaan
nog maar 2000 calorieën krijgt, nou, dan vermindert het gewoon zijn
energiebehoefte, naar 1700 bijvoorbeeld en slaat zo het verschil van 300
calorieën op als reservevetten.
Zo wordt het tegenovergestelde resultaat bereikt van wat werd verwacht:
hoewel de persoon minder eet, begint hij geleidelijk aan weer dikker te
worden.
Eigenlijk gedraagt een mens, daartoe voortdurend aangespoord door zijn
overlevingsinstinct, zich niet anders dan een hond die zijn bot begraaft,
terwijl hij sterft van de honger. Vooral wanneer hij zeer onregelmatig
te eten krijgt, doet hij een beroep op zijn voorouderlijke instincten
en begraaft zijn voedsel. Zo kweekt hij reserves terwijl hij uitgehongerd
is.
Hoevelen van u zijn abusievelijk al slachtoffer geworden van de ongefundeerde
theorie van het calorieënevenwicht?
U hebt in uw omgeving vast wel dikke mensen ontmoet die stierven van de
honger. Dit komt vooral voor bij vrouwen.
De spreekkamers van de psychiaters zitten trouwens overvol met vrouwen
wier depressie al te vaak het resultaat is van de toepassing van de calorieëntheorie.
Zodra ze in deze helse cyclus terechtkomen, worden ze er al gauw een slaaf
van, want ze weten dat iedere keer als ze stoppen, ze weer meer in gewicht
toenemen en zwaarder worden dan aan het begin.
De meeste medici sluiten volledig hun ogen hiervoor. Ze realiseren zich
wel dat hun patiënten niet afvallen, maar ze verdenken hen er eerder
van het spel niet goed te spelen en toch stiekem te eten. Sommige instellingen
hebben zelfs groepstherapieën georganiseerd, waarin iedere dikkerd
publiekelijk aan haar lotgenoten haar gewichtsverlies opbiecht, wat met
applaus ontvangen wordt, of haar gewichtstoename, wat bestraft wordt met
gefluit. De wreedheid van dergelijke praktijken laat bij ons een middeleeuwse
nasmaak achter.
De man met de esculaap, (op enkele specialisten na) zal weinig geneigd
zijn zijn basiskennis ter discussie te stellen, omdat deze eerder symbolisch
te noemen is. Op het gebied van voeding is zijn wetenschappelijke kennis,
op enkele gemeenplaatsen na, nogal mager.
Trouwens, voeding is niet een gebied waarvoor artsen zich bijzonder interesseren.
Wel heb ik gemerkt dat elk van de twintig artsen met wie ik heb gewerkt,
voordat ik dit boek ging schrijven, eenieder, zonder uitzondering, zich
was gaan interesseren voor voeding, onderzoek ging doen en experimenten
ondernam, omdat hij zelf met een ernstig gewichtsprobleem te kampen had.
Het is navrant en zelfs schandalig dat zich bij het grote publiek het
idee heeft kunnen ontwikkelen dat de theorie van de calorieën een
echte wetenschappelijke fundering zou hebben. Deze theorie heeft jammer
genoeg haar adelbrieven verworven en is tegenwoordig een van de belangrijke
culturele gegevens van onze westerse beschaving.
De theorie van de calorieën is dermate verankerd in onze geest dat
er geen bedrijfsrestaurant, buurtcafetaria of militaire kantine meer is
die niet het aantal calorieën vermeldt van elk gerecht, om het eenieder
mogelijk te maken zich op bekend terrein te wanen. Er gaat geen week voorbij
of een van de vele vrouwenbladen heeft een grote reportage over vermageringsproblemen.
Ze onthullen daarbij de laatste menu's, samengesteld door een ploeg deskundigen,
waarin ons, in het licht van de theorie van de calorieën, "een
mandarijn als ontbijt, een
halve beschuit om 11 uur, een erwtje tussen de middag en een olijf 's-avonds"
wordt voorgeschoteld.
We kunnen ons afvragen waarom het idee van minder calorieën ons zo
lang voor de gek heeft kunnen houden. De eerste reden is dat een caloriearm
dieet altijd resultaten geeft.
Het tekort aan voedsel, waarop het gebaseerd is, leidt noodgedwongen tot
afslanking. Maar, zoals we gezien hebben, is dit resultaat altijd van
korte duur. De terugkeer naar de beginsituatie is niet alleen systematisch,
maar in de meeste gevallen is de gewichtstoename ook nog groter. De tweede
reden is, dat "caloriearm" tegenwoordig een geweldige economische
stunt is.
Voedingsmiddelen met weinig calorieën zijn tegenwoordig zo'n grote
markt, dat we een ware lobby het hoofd moeten bieden, waarvan de voedingsindustrie
en een paar losgeslagen koks, met behulp van gediplomeerde dieetdeskundigen,
de voornaamste begunstigden zijn.
De theorie van de calorieën is fout en u weet nu waarom, maar u bent
er daarom nog niet van bevrijd. Want zij is dermate in uw geest verankerd
dat u zich er nog lang op zult betrappen u volgens die principes te gedragen.
|